» Column » van Elle Eggels.



VERWARDE SEIZOENEN
SCHRIJVER???
LEZEN



VERWARDE SEIZOENEN

De zomer sleepte zich mee aan de slierten van het aanvangende najaar, zoals een kleuter zich optrekt aan de schorten van zijn moeder. De zomer was dat jaar niet aan wasdom toegekomen, dwarsgezeten door regenzwangere wolken die het licht duisterden. De niet te stuiten hemelfonteinen hadden het strakke blauw vergrijsd en de kleuren van het landschap verdronken, schimmels en zwammen tot woekeren gemaand. Pas toen de herfst zich toonde in venijnwinden die men van hem gewend was, herinnerde de zon zich wat men verwachtte, waarop men vergeefs had zitten wachten. Ze begreep dat ze tekort was geschoten en in een laatste poging om te zomeren verdampte ze de waanzinwolken, bevingerde ze de verzopen aarde met een warmte die de veerkracht miste van een stomende verliefdheid maar de huidzachtheid had van een ouder wordende vrouw.
In de beemden richtten de dovende distels zich nog een keer verlangend omhoog met in hun oksels de levenloze embryo’s die hun voortbestaan hadden moeten waarborgen. In de laatste warmte probeerden ze hun genen te redden van verrotting en uitroeiing. De mensen gaven toe aan dezelfde levensgretigheid, ze vingen al het zonlicht op dat hen was ontzegd. Ze kleedden zich in kleren die niet pasten bij de tijd van het jaar en ze waren zo gretig en gulzig de tekorten te compenseren dat ze vergaten om hun garderobe te vervangen, dat ze verzuimden zich te pantseren voor de tijd dat de zon haar zomerkracht had moeten overlaten aan de onvermijdelijkheid der dingen, aan de opkomst en neergang van alles, aan de cyclus der seizoenen. Heel de natuur was de natuurlijke volgorde aan het kwijtraken. De grote Moeder wist niet meer wanneer er sprake was van geboorte, groei, bloei en uitdoven. En de mens? Die raakte ook verward, verloor inzicht en overzicht. Grootmoeders gedroegen zich als kleinkinderen, kleinkinderen vergaten hun kindheid en speelden volwassenheid, moesten de ouderen dingen bijbrengen die hún ouders hen niet hadden kunnen leren omdat ze pas later uitgevonden zouden worden. Men had het over nieuwe generaties, onbekende generaties die elkaar niet meer logisch opvolgden. Dat werd het begin van de totale chaos.




SCHRIJVER???

Ik schrijf dus ik ben (iemand)!

Ben je schrijver als je je naam kunt schrijven? Of ben je het pas als andere mensen je naam kunnen spellen? Op de televisie wordt iedereen die ook maar een cahiertje gepubliceerd heeft meteen als schrijver of auteur ondertiteld. Is dat onterecht? Als je in de synoniemenlijst kijkt kom je tegen: publicist, auteur, romancier, columnist, scribent, dichter, essayist en ook klerk en secretaris.
Publicist klopt natuurlijk want het werk – hoe flutsig ook – is in druk verschenen.
Aan het woord auteur is ook niets gelogen want de schepper van het werk heeft het auteursrecht, het eigendomsrecht, maar dit woord wordt ook gebruikt voor de maker van een foto, een beeld, een schilderij en zelfs voor speciale architectonische ontwerpen en misschien nog wel meer. Dus de benaming auteur wordt ten onrechte al teveel gebruikt als ophemeling van een schrijver.
Zeer zelden zie je dat iemand romancier wordt genoemd en toch haalt die benaming je meteen uit de massaschrijvers want zo mag je alleen genoemd worden als je een roman gepubliceerd hebt. En ook daar kan mee gesjoemeld worden want als je een bouquetromannetje hebt geschreven, mag je dan gelijk ondertekenen als een Flaubert of Japin?
De ondertiteling columnist is heel duidelijk, het gaat dan om een stukjesschrijver en daar zit ook alweer verschrikkelijk veel kaf tussen het koren want tegenwoordig is elke celebrity meteen ook columnist terwijl het echte columneren een vak is waar visie bij nodig is. De ene schouwt de politieke arena, de ander het sociale veld, denk aan Carmiggelt. Kun je dat vergelijken met iemand die beschrijft hoe zijn poes bevalt van vijf verschillende kittens?
Het woord scribent, krijgt in het woordenboek de toevoeging prulschrijver, wie wil dus zo genoemd worden?
Essayist heb ik eigenlijk nog nooit als ondertitel gezien maar ik kan eroverheen gekeken hebben. Ik denk dat iedere student die een goede scriptie aflevert meteen ook een essay heeft afgeleverd want hij ondersteunt zijn eigen stellingen met die van andere (bet)weters en dat is het vereiste voor een essay.
Een dichter is een schrijver van poezie alhoewel je je dan toch weer zou moeten afvragen of elke dichter ook een poëet genoemd mag worden. En is een poëet een schrijver, een dromer of een visionair? Een schilder schildert zijn visioenen op een wit vlak, de poëet heeft woorden nodig het witte vel papier met woorden te bevlakken en is derhalve een schrijver.
Maar in het woordenboek staat schrijver ook voor klerk en secretaris, iemand die de dingen notuleert, registreert, kopieert. Kortom iemand die geen eigenheid heeft.
De vraag is nu waarom wil iemand schrijver genoemd worden?




LEZEN


Op lezen zit straf, zonde van de tijd! Doe iets nuttigs! Alleen als er helemaal niets meer te doen is, mag je gaan zitten lezen. Zo leerde mijn moeder het me want zo had zij het van haar vader geleerd. Zij en al haar zussen werden ondanks de regel van hun vader leesgekken. Ze kregen slaag als hij hen betrapte maar ze gingen ertegenin en ze gaven mij al toen ik nog maar net kon lezen hun boeken en tijdschriften. Lezen werd een verboden genot en dat is zo mijn hele leven gebleven. Ik denk dat ik alle boeken van de schoolbibliotheek heb gelezen maar ik las ze meestal onder de deken met een zaklamp want in open daglicht ging je niet zitten lezen. Arendsoog en Pim Pandoer moest ik via mijn broer lenen want op de meisjesschool mocht je geen jongensboeken lezen.
Toen die broer naar de HBS ging kreeg hij een lijst van boeken die hij moest lezen. Even voor de duidelijkheid ‘hij moest’ dus hij kreeg letterlijk de opdracht om te lezen. Lezen werd legaal. Ik was zo jaloers. In deze dagen gingen nog maar heel weinig meisjes naar de middelbare school. Meisjes werden huisvrouwen en niets anders en teveel tijd aan boeken geven was verspilling. Dus ging ik naar de huishoudschool waar je leerde wassen, strijken, schrobben, dweilen en koken. Dingen die mijn moeder me al heel jong had geleerd want als oudste moet je vroeg meehelpen. Mijn moeder vond wel dat ik ervoor beloond moest worden en als het meeste huiswerk aan kant was mocht ik legaal gaan zitten lezen. Lief bedoeld maar de smet bleef: alleen als er tijd voor over is.
Ik heb niet het lot gevolgd dat de tijd voor me had klaargelegd. Je kon op avondscholen je misgelopen opleiding inhalen en dat deed ik ook. Om te mogen lezen. Op de avondmavo en later de havo kreeg ik een lijst voor Nederlandse, Engelse en Duitse boeken. Heel enthousiast begon ik maar liep meteen vast want de voorgeschreven literatuur beviel me niet. De Nederlandse auteurs begreep ik niet, Goethe en Schiller al netzomin. Ik las Francois Sagan en de Russen die rare verhalen vertelden over een neus die aan de wandel ging en ik wilde voor de derde keer beginnen aan Dr. Zjivago maar die stond niet op de lijst. Er was geen tijd voor, Elschot en Roland Holst lagen op de stapel en het examen naderde.
Enkele jaren later, nadat ik in een impuls mijn vaste baan had opgezegd, begon ik op mijn eerste lege dag aan ‘Gejaagd door de Wind’, geen literatuur, dus weggelegd voor als er tijd voor was . De Nederlandse vertaling is erbarmelijk maar het verhaal boeide me zozeer dat ik de hele dag gejaagd ben blijven doorlezen. Het had een feest moeten zijn, lezen, lezen, lezen tot ik erbij neerviel, maar ik voelde me elk uur schuldiger worden omdat ik niet met iets serieus bezig was. Er was niets serieus meer te doen! Ik had geen werk, de flat was schoon, de was gedaan en toch gaf het me niet de vrijheid om te lezen.
Zo is het gebleven, het is ingeslepen, lezen heeft voor mij een belading, als het niet ergens toe dient mag het niet. Daarom lees ik nu vooral boeken waar ik iets van kan leren. Boeken die mij vertellen hoe ikzelf betere boeken kan schrijven. Zo levert het uiteindelijk toch iets op en is het nooit meer zonde van de tijd.